Zooooo stop je!

Pfft, denk je nu. Waarom moet ik eerst leren stoppen? Nou zeg, wil je eerst leren starten, zonder dat je kan remmen? Dat lijkt ons niet zo’n goed idee.

Methode 1: één voet op de rem

Wil je veilig remmen met je step? Laat dan één voet op de voetenplank staan en zet je andere voet op de voetrem van het achterwiel. Als je traag genoeg gaat, kan je je voet van de voetrem afhalen en afstappen. Op deze manier rem je veilig en geleidelijk.

Remoefening

  • Zet je steunvoet (je dominante been) mooi in de lengte op de voetenplank, ver genoeg naar voren.
  • Plaats je andere voet achter je steunbeen, met je tip achter de hiel van de steunvoet, en je hiel op de voetrem. Om te remmen maak je een pompende beweging op de voetrem.

Methode 2: één voet op de grond

Je kan ook remmen met je trapvoet, zonder de voetrem te gebruiken. Dan rem je louter op de kracht van je been. Voor sterke spiertjes!

Remoefening

  • Zet je steunvoet in het midden van de voetenplank.
  • Steek je trapbeen lichtjes naar voor, bijna gestrekt, maar zodat je nog wat kan buigen.
  • Trommel met je trapvoet op de grond. Zo kan je niet over je eigen voeten struikelen.

Maar pas op,
deze methode heeft ook nadelen:

  • Je doet er langer over om te remmen.
  • Je hebt meer stabiliteit nodig. Als je trapvoet de grond raakt, buigt je step lichtjes naar deze voet toe. Goed sturen is dus de boodschap!

Methode 3: Twee voeten op de grond

Blijf met je voeten op de grond, zeggen ze wel eens. Ook als je stept, is dat een goed idee! Door met je beide voeten van de voetenplank te springen, rem je snel en veilig. Probeer het maar!

Remoefening

  • Begin te steppen. Sta met je niet-dominante voet op de plank.
  • Stap af met je trapbeen.
  • Zodra je contact maakt met de grond, zet je ook je andere been aan dezelfde kant op de grond. Stap/Loop nog even mee om af te remmen en ‘uit te bollen’.

Zoooooo start je!

Je kan op twee manieren starten:
staand of lopend

  • Start jij liever voorzichtig? Zet dan je steunbeen eerst op de voetenplank. Maak daarna met je trapbeen enkele korte, achterwaartse bewegingen … en je bent vertrokken!
  • Start jij liever lopend? Hou dan je step aan de kant van je dominante voet en begin te lopen. Duw de step naast je mee tot je snel genoeg loopt. Dan zet je je steunbeen op de voetenplank … en steppen maar!

Wees de baas over je been

Je ‘bazig’ been krijgt het bij het steppen zwaarder te verduren dan je steunbeen. Daarom is het een goed idee om regelmatig (bijvoorbeeld om de tien trappen) van steunbeen te wisselen. Vergeet het niet, jij bent de baas, niet je been!

De schuifwissel

Dit is de veiligste manier om van been te wisselen:

  • Verleg het steunpunt van je steunvoet naar je hiel.
  • Draai de tip van je steunvoet, met de hiel als draaipunt, naar ‘buiten’ (de kant van de kleine teen). In dit voorbeeld: rechts.
  • Nu is er vooraan op de voetenplank een beetje plaats vrij.
  • Zet de tip van je andere voet op het open plaatsje. Nu sta je met je twee voeten schuin half op en half naast de voetenplank.
  • Schuif nu je steunbeen (R) naar buiten: nu wordt dit je trapbeen.
  • Schuif je andere voet (L), met de tip al vooraan op de plank, naar binnen: nu is dit je steunbeen.

Zoooo step je!

Lange pendel: op het gemakje

Wil je voor langere tijd op een rustige manier steppen? Dat doe je best met de ‘lange pendel’. Hierbij maakt je trapbeen (contact met de grond) een mooie boog van voren naar achteren, en weer naar voren (zonder contact met de grond). Dit lijkt wat op een pendelbeweging van een klok, daarom noemen we dit ‘de lange pendel’.

Zo pak je het aan:

  • Je armen, rug en steunbeen bewegen minimaal, ze volgen gewoon de pendelbeweging van je trapbeen. De zool van je steunvoet blijft vlak op het voetenplankje.
  • Je trapbeen maakt zijn pendelbeweging vanuit de heup, zodat je je knie amper buigt (hou je been bij de inzwaai bijna gestrekt).

Korte pendel: met een stepvaartje!

Mag het voor jou wat sneller gaan? Dan moet je wat meer kracht zetten bij het trappen.

  • Anders dan bij de lange pendel moet je inzwaai vanuit de hoogte komen, voor het lichaam. Door de knie van je trapbeen te buigen en zo hoog mogelijk op te trekken, bouw je extra kracht op om te stampen.
  • Richt je romp mee op om hoogte te winnen en om plaats te maken voor het trapbeen. Zo hoog als je kan en wil!
  • Nu geef je met je trapbeen een relatief verticale trap naar beneden. Je hebt al snelheid opgebouwd zodat je stampt met een korte pendelbeweging. Dit doe je door je voet weer te strekken zodra je de grond raakt.
  • Daarna zwaai je weer uit om zo hard mogelijk vooruit te gaan. Bij deze lange, diepe uitzwaai kantelt je romp naar voren. Geef tegelijkertijd ook een lichte duw tegen het stuur.
  • Door je armen, romp, beenspieren en voet zo goed mogelijk te doen samenwerken, ga je heel snel vooruit. Maar opgelet: probeer dit pas als je al een echte stepkampioen bent geworden …

Je kan je knie nog hoger optrekken door met je steunvoet op je tippen te gaan staan. Opgelet, je stuur mag zeker niet te laag staan!

Zoooo stunt je met je step

Bochten en sprongen

Ga je de stunttoer op? Dan hebben we één boodschap voor jou: oefenen, oefenen, oefenen. Bouw je vaardigheden langzaam op, ga ‘stepje voor stepje’ … en wees niet bang om te vallen en weer op te staan.

Elke kampioen is iemand die duizend keer is gevallen en duizend en één keer is rechtgestaan!

Het slangenparcours

Met een step kan je heel behendig korte en scherpe bochten maken.
Voorzichtig, té scherp mag ook weer niet, want dan kantelt je step en val jij pardoes op de grond!

  • Neem een stukje krijt en teken op een mooi groot stuk asfalt (bijvoorbeeld de parking van een winkel die gesloten is) een grote boog. Of ga voor een heuse oefenlus (in de vorm van een atletiekpiste): twee bogen verbonden door twee lange rechte stukken).
  • Step met voldoende snelheid op het beginpunt van de boog af.
  • Zet aan het begin van de boog je twee voeten op de voetenplank en verlaag je zwaartepunt door te hurken.
  • Probeer binnen de boog te blijven, gedeeltelijk door te sturen, gedeeltelijk door ‘in de bocht’ te hangen. Oefen dit eerst een aantal keren met een grote boog en vooral niet te snel!
  • Lukt het al aardig? Dan kan je je snelheid opdrijven en dieper en schuiner in de bocht gaan hangen.
  • Nu kan je een kleinere bocht tekenen. Of je kan bochten tekenen in de vorm van een grote slang en een heus bochtenparcours maken.

De konijnensprong

Springen als een konijn? Ja hoor, dat kan!

  • Sta met je twee voeten achter elkaar op de voetenplank en vertrek. Je hoeft niet heel snel te gaan. Maar opgelet, als je traag gaat, moet je na je sprongetje ofwel doorsteppen ofwel helemaal stoppen en afstappen, want door te springen verlies je snelheid en dan kan je wel eens omvallen.
  • Voor de sprong moet je twee bewegingen tegelijkertijd doen:
    • Maak met beide benen tegelijkertijd een hurksprongetje.
    • Trek op hetzelfde moment je step met je handen omhoog aan het stuur en trek ook je step wat mee naar boven.
      Hierdoor blijft de plank aan je voeten ‘kleven’.

Blijf altijd goed met je twee voeten op de plank, dan land je veilig!

De “180” (one-eighty)

Dit is een konijnensprong-met-een-beetje-meer. Bij de konijnensprong blijf je gewoon dezelfde richting uitgaan. Maar bij de 180 maak je een bocht van 180°: vandaar ook de naam! Eigenlijk is dit dus een snelle manier om van richting te veranderen. Opgelet, dit mag je niet té snel doen.

  • Begin te steppen en ga door je knieën om een krachtige konijnensprong te maken.
  • Zet je twee voeten naast elkaar op de plank, licht diagonaal, met de tip in de draairichting.
  • Bij het begin van de sprong draai je je stuur naar binnen, en tegelijkertijd duw je met je voeten de voetenplank naar buiten. Hierbij is het belangrijk dat je voeten voortdurend in contact blijven met de plank!
  • De draaikracht komt vooral uit je romp ­ je voeten en step volgen.

Oefen eerst met een kleinere draaihoek, en vergroot geleidelijk naar 180°.